Rekenen op de basisschool gaat stap voor stap van eenvoudige naar complexere vaardigheden. Het leergebied heet ook wel getallen & bewerkingen, meten & meetkunde, verbanden.
Hier een overzicht per bouw:
Onderbouw (groep 1-2)
- Tellen (vooruit en terug)
- Hoeveelheden vergelijken (meer/minder, evenveel)
- Eerste getalbegrip tot ongeveer 20
- Herkennen van vormen (cirkel, vierkant, driehoek)
- Ruimtelijk inzicht (voor/achter, links/rechts)
- Spelenderwijs rekenen (blokjes, spelletjes, liedjes)
Middenbouw (groep 3-5)
- Optellen en aftrekken tot 100
- Tafels van vermenigvuldiging (1 t/m 10)
- Delen als omgekeerde van vermenigvuldigen
- Rekenen met geld, tijd (klokkijken: hele, halve en kwartieren)
- Meten: lengte, gewicht, inhoud
- Eenvoudige breuken (½, ¼)
Bovenbouw (groep 6-8)
- Grote getallen en cijferen (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen)
- Breuken, kommagetallen en procenten
- Verhoudingen
- Negatieve getallen (vanaf groep 7 vaak)
- Oppervlakte en inhoud berekenen
- Coördinaten (x- en y-as)
- Eenvoudige grafieken en tabellen lezen/maken
- Toepassen op “realistische sommen” (bijvoorbeeld korting, reistijd, recepten)
Rekenen Herfst
Laat alles zo concreet mogelijk ondervinden. Ga lekker naar buiten!
Onderbouw (groep 1-2)
- Tellen en getalbegrip: tellen tot 10 of 20, hoeveelheden herkennen in herfstvoorwerpen (appel, eikels, bladeren).
- Sorteren en vergelijken: bladeren op kleur, grootte of vorm sorteren; meer/minder oefeningen.
- Vormen en patronen: herhalende patronen maken met herfstbladeren of kastanjes.
- Spelenderwijs oefenen: tellen tijdens herfstwandelingen, spelletjes met eikels of dennenappels.
Middenbouw (groep 3-5)
- Optellen en aftrekken: kleine rekenopgaven met herfstthema (“Er liggen 12 eikels op de grond. 5 worden opgepakt. Hoeveel blijven liggen?”).
- Vermenigvuldigen en tafels: tafels oefenen met herfstvoorbeelden (bijvoorbeeld: 4 blaadjes per boom, 5 bomen = ?).
- Meten: lengte van bladeren meten in cm, gewicht van appels, inhoud van manden.
- Eenvoudige grafieken: aantal vogels, bladeren of paddenstoelen tellen en in een grafiek zetten.
Bovenbouw (groep 6-8)
- Breuken, kommagetallen, procenten: bijvoorbeeld “½ van de appels zijn rood, ¼ groen…”.
- Geld- en tijdsrekenen: herfstactiviteiten plannen met budget of tijd (schoolfeest, herfstwandeling).
- Grote getallen en cijferen: optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen met herfstvoorbeelden.
- Verbanden en grafieken: temperatuurmetingen, regenval of aantal vallende bladeren bijhouden.
Lente-rekensommen (plus/min)
Laat alles zo concreet mogelijk ondervinden. Ga lekker naar buiten!
- In de tuin bloeien 8 tulpen en 5 narcissen. Hoeveel bloemen zijn dat samen?
- Er vliegen 12 bijen rond een boom. 4 vliegen weg. Hoeveel blijven er?
- Er groeien 15 blaadjes aan een tak. De wind blaast er 6 af. Hoeveel blijven er?
Keer- en deelsommen (iets moeilijker)
- Er zitten 4 lieveheersbeestjes op elke bloem. Er zijn 6 bloemen. Hoeveel lieveheersbeestjes?
- Er zijn 24 zaadjes en je verdeelt ze over 6 potjes. Hoeveel zaadjes per potje?
Meten / tijd
- Het regent 3 dagen achter elkaar. Elke dag valt er 7 mm regen. Hoeveel mm in totaal?
- Een rups wordt na 14 dagen een pop. Hoeveel weken is dat?
Verhaalsom
- Emma plant 3 rijtjes wortels. In elk rijtje zitten 9 zaadjes.
Hoeveel zaadjes plant ze?

